7 Koperen blaasinstrumenten: wat zijn de verschillen?

7 Koperen blaasinstrumenten: wat zijn de verschillen?

Koperen blaasinstrumenten zijn instrumenten die gemaakt zijn van koper, toch? Klinkt logisch, maar het is niet altijd waar en vaak worden houten blaasinstrumenten zoals de saxofoon en zelfs klarinetten ten onrechte in deze categorie gegooid. Laten we een selectie van de meest voorkomende koperblaasinstrumenten bespreken: Wat zijn hun eigenaardigheden? Hier zijn een paar tips, ideeën en geluidssamples, speciaal voor jou!

#KissMyBrass 🎺💋


1. Kornet – universeel populair

Misschien komt het wel omdat de kornet de kleinste is van de traditionele koperinstrumenten, maar één ding is duidelijk: het is het meest bespeelde instrument (ca. 30%) onder de koperblazers. De kornet heeft een relatief lyrische, fluweelzachte en ronde klank en past harmonieus in de kopersectie. Er is een licht onderscheid gevonden tussen de kleinere Eb-kornet en de grotere Bb-kornet (check het geluidssample hieronder). Voor hoge tonen bereikt de kornet zijn natuurlijke grenzen. Daarnaast zijn veel muzikanten het erover eens dat het moeilijk te spelen is vanwege de diepere, V-vormige kom in het mondstuk.

YouTube

Door de video te laden, accepteer je het privacybeleid van YouTube.
Kom meer te weten

Laad video


2. Trompet – in de eerste rij

De trompet is een naaste verwant van de kornet: de speelstijl is ongeveer hetzelfde, bijna identiek, afhankelijk van de aanpak. De trompet is langer en levert een heldere, meer prominent en duidelijker toon. Om deze reden alleen al heeft het de voorkeur als solist in de kopersectie. En ook qua volume is de trompet veel dominanter. De tonen breken minder gemakkelijk dan bij een kornet, waardoor jazzy, “half gedempte” en “gekleurde” noten gemakkelijker te spelen zijn.

YouTube

Door de video te laden, accepteer je het privacybeleid van YouTube.
Kom meer te weten

Laad video


3. Bugel – de veelzijdige, goed klinkende

Een ander lid van de koperen familie is de bugel. In principe verschilt de speelstijl ook niet van de trompet of de kornet, hoewel deze bewering discutabel is. Het belangrijkste verschil ligt in het mondstuk. Een bugelmondstuk, met een relatief grote binnenboring, leidt tot een hoger luchtverbruik. Het geluid zou vanwege de lagere blaasweerstand, aangenaam moeten glijden.

YouTube

Door de video te laden, accepteer je het privacybeleid van YouTube.
Kom meer te weten

Laad video


4. Tenorhoorn – vreugdevolle harmonie

Een vrij goedmoedige kameraad is de tenorhoorn, qua klankkarakter is het meestal geen koperblazersinstrument dat op de voorgrond wordt geplaatst. Het wordt vooral gebruikt als een typisch begeleidend instrument. Op de Eb-hoorn zijn de beker en het mondstuk beiden naar boven gericht, waardoor het gemakkelijk is om zittend te spelen. De tenorhoorn fungeert als een brug in de kopersectie, die een mooie harmonie toevoegt aan de compositie.

YouTube

Door de video te laden, accepteer je het privacybeleid van YouTube.
Kom meer te weten

Laad video


5. Eufonium – goede intonatie in de middentoonsectie

Het eufonium of tenortuba zingt een octaaf lager dan de trompet en een octaaf hoger dan de tuba. Dit instrument vereist een speciaal mondstuk met bekermaten die meestal dieper en meer conisch van aard zijn. Het belangrijkste verschil met andere koperblaasinstrumenten is het compensatiemechanisme: afhankelijk van het model zijn er drie of vier ventielen geïnstalleerd en dit zorgt voor een zeer goede en gedifferentieerde intonatie.

YouTube

Door de video te laden, accepteer je het privacybeleid van YouTube.
Kom meer te weten

Laad video


6. Trombone – de oneindige

Over het algemeen wordt gezegd dat de trombone het gemakkelijkste van de koperen familie is. De tonen worden door de schuif gestuurd in plaats van ventielen. En dat maakt niet alleen de typische getrokken tonen mogelijk, maar ook tussenliggende tonen. Naast de beheersing van de ademhaling en techniek is een uitstekend oor voor de toonhoogte een van de belangrijkste vereisten.

YouTube

Door de video te laden, accepteer je het privacybeleid van YouTube.
Kom meer te weten

Laad video


7. Tuba & Sousaphone – van diep binnenuit

De geluiden die uit een tuba komen zijn donderend en buitenaards. Sommige mensen zijn er zelfs van overtuigd dat ze uit de hemel komen, wat ironisch is omdat het register juist helemaal onderaan de kopersectie staat. Het bijzondere aan deze beesten is dat ze drie tot zes ventielen en een bijzonder grote schaallengte hebben en dus een veel bredere boring. Het wordt via een breed en diep (beker- of komvormig) mondstuk bespeeld. Er zijn veel verschillende ontwerpen, van de marcherende melodie van de sousafoon tot de aardschokkende tonen van de contrabas tuba (BB- of CC tuba, zie video hieronder), die minstens 580 cm lang is. Dat is bijna zes meter koper in je handen!


👉 Vind alle koperblazers op onze blaasinstrumenten afdeling

Van 24 tot en met 30 april 2019 draait #KissMyBrass geheel om koperblazers. Check onze Facebook en Instagram pagina’s evenals hier in de t.blog voor allerlei exclusieve aanbiedingen, nuttige artikelen en leuke content.

3 Reacties

    En wat over de waldhoorn? De ziel van het orkest?

    ==================================================================AFLEVERING 45 De TUBA

    Deze keer leggen we, mede naar aanleiding van de m.i. onvolledige uitleg van Eddie Hamm in de vorige DOKTOR JAZZ, de tuba op de ontleedtafel.
    Het eerste dat opvalt bij het bestuderen van literatuur over de tuba is het sterk verschillen van de versies over de historische ontwikkeling wanneer deze versie komt uit Frankrijk, Engeland of Duitsland. Elk taalgebied claimt dat in hun land de ontwikkeling van een volwaardige tuba als eerste heeft plaatsgevonden. De historische waarheid zal wel ergens in het midden liggen omdat kennelijk de tijd rijp was en nieuwe uitvindingen en technieken de ontwikkeling (naar alle waarschijnlijkheid) op diverse plaatsen mogelijk maakte.
    Want in het begin van de 19e eeuw, na de uitvinding van ventielen voor trompetten waardoor deze instrumenten ineens chromatisch bespeeld konden worden, begon men overal te experimenteren om ook lagere koperblaasinstrumenten te verkrijgen die chromatisch bespeeld konden worden. Tot dan toe had men zich voor de lagere tonen bij blaasinstrumenten moeten behelpen met de Fagot (te zacht) en het Serpent (te vals).
    De ontwikkeling richtte zich al spoedig op conische instrumenten omdat experimenten met een cilindrische buis niet-, tot moeilijk-bespeelbare objecten opleverden. Alleen de Bastrompet (eigenlijk de ‘tenor’ van de trompetfamilie) bleek enige levensvatbaarheid te hebben naast de versie van de trombone in de trombonefamile die met ventielen werd uitgerust (de Ventieltrombone).
    De moeilijke bespeelbaarheid van lagere cilindrische instrumenten heeft voornamelijk te maken met de verhouding tussen de lengte van het instrument en de diameter van de buis.
    Bij conisch gebouwde (de diameter van de buis wordt vanaf het mondstuk steeds groter) lagere instrumenten bleek de zuiverheid van de toon beter beheersbaar. Uitgaande van de verhoudingen van de Bugel/Klaroen en de Jachthoorn werden hele families van chromatisch bespeelbare conische koperblaasinstrumenten gebouwd door allerlei instrumentmakers in heel Europa.
    Later, aan het eind van de 1e helft van de 19e eeuw kwamen daar nog de experimenten van de Belg Adolphe Sax bij die een hele familie van “Saxhoorns” bouwde, instrumenten met een naar verhouding smalle ‘mensuur’ (buisdiameter).
    N.B. Deze familie van Saxhoorns vallen onder de ‘echte’ koperblaasinstrumenten want ze worden aangeblazen met een mondstuk met een rand en kom dat op dat van een trompet lijkt. De andere familie die Sax ontwikkelde, de Saxofoons, vallen onder de rietblaasinstrumenten. Zij worden aangeblazen met een enkel-riet-mondstuk vergelijkbaar met dat van een klarinet. De bouw van een Saxofoon is, zoals dat ook met alle tuba-achtigen het geval is, conisch en het materiaal waarvan het instrument is vervaardigd is wel degelijk koper.
    “Wat is een familie bij een instrument?” zult u zich nu stellig afvragen. Een familie bij instrumenten volgt dezelfde volgorde die ook voor de menselijke stem wordt aangehouden: Sopranino; Sopraan; Alt; Contra-alt; Tenor; Bariton; Bas; Contrabas; Sub-contrabas.
    “Hé, dat lijkt verdomd veel op de indeling bij saxofoons!” hoor ik u al denken. En u hebt gelijk, want daar betreft het ook een familie van hetzelfde soort instrumenten maar dan van rietblaasinstrumenten.
    Zo is er ook de hele familie die instrumentbouwer Sarrus in Frankrijk halverwege de 19e eeuw verder heeft ontwikkeld en gebouwd, een soort metalen Fagot die “Sarrussophone” werd genoemd, van sopranino tot contrabas.
    Eigenlijke uitvinder van het instrument is Pierre Louis Gautrot.
    In globale zin kan men stellen dat uiteindelijk in de verschillende landen de volgende families zich tot heden hebben gehandhaafd (hier kunnen hele disputen over worden gehouden omdat de overgeleverde historie en meningen niet overal hetzelfde zijn!).

    Duitsland
    = De Keizerbas, het instrument met de wijdste mensuur
    = Het Euphonium, een ovaal gebouwde tuba
    Engeland
    = De Tuba, met een meer geprononceerde beker en een smallere mensuur dan de Keizerbas
    Frankrijk
    = De Ringbas, ook wel Helicon of Bombardon genoemd,
    = De Tuba, met weer een iets smallere mensuur dan de Engelse versie
    = De Saxhoorn, gering conisch met een geprononceerde beker
    Verenigde Staten
    = De Sousafoon, door John Philip Sousa (de Marskoning) bedachte Ringbas met ‘Frontbell’
    = De Recording Bass, ook wel Front Bell Tuba of Concertbas genoemd, een Keizerbas met
    net zoals de Sousafoon een naar voren gerichte beker
    Tegenwoordig is op Internet zeer veel te vinden over al deze instrumenten. Ook de bouw is niet standaard, zo die dat vroeger al was, waardoor vaak onduidelijk is wat voor type instrument het betreft. Elke fabriek wil zijn eigen merk natuurlijk ‘onderscheidbaar’ maken.
    Het hier gepresenteerde verhaal van 20 jaar terug is gebaseerd op toen in de handel zijnde naslagwerken over muziekinstrumenten.
    In het volgende overzicht wordt aangegeven welke instrumenten uit een familie tegenwoordig nog gebruikelijk zijn met daarbij vermeld de grondtoon van het instrument:
    Keizerbas Bariton in Es Bas in C of Bes Contrabas in Es
    Euphonium Sopraan in Bes Alt in Es Tenor in Bes Bariton in Es
    Tuba(E) Sopraan in Bes Alt in Es Tenor in Bes Bariton in Es Bas in Bes
    Helicon Bariton in Es Bas in Bes
    Tuba(F) Sopranino in Es Sopraan in Bes Alt in Es Tenor in Bes Bariton in Es Bas in Bes
    Saxhoorn Sopraan in Bes Alt in Es Tenor in Bes Bariton in Es
    Sousafoon Bariton in Es Bas in Bes
    RecordingBass Bariton in Es Bas in C of Bes

    Opm.1:
    In Fanfare- en Harmonieorkesten worden de Bariton en de Bas meestal Es- en Bes-bas genoemd terwijl de Tenor(tuba’s) ‘bariton’ heten. De sopraan- en sopraninotuba’s worden dan weer Bugels genoemd.
    Opm.2:
    Een (Bes)Bugel wordt in de jazzmuziek in het algemeen “Flugelhorn” genoemd.
    Opm.3:
    De Cornet (hoewel een conisch koperblaasinstrument) komt hier niet voor omdat dit instrument is ontwikkeld uit de posthoorn en er alleen een sopraan-versie bestaat.
    Opm.4:
    Voor symfonieorkesten wordt meestal de in C gestemde bastuba gebruikt, dit i.v.m. de zuiverheid t.o.v. de rest van de instrumenten in het orkest.
    Opm.5:
    De genoemde alten komen regelmatig ook voor in de in F gestemde versie. Meestal zijn er dan extra (stem)buizen (ter verlenging) toegevoegd zodat het instrument ook in Es is te stemmen.
    De opmerking van Koos Mak over de ‘fanfarestemming’ (hij besprak hier het feit dat zijn instrument oorspronkelijk in E was gestemd) van zijn Es-Helicon behoeft nog enige toelichting.
    Vroeger was het gebruikelijk dat Fanfares en Harmonieorkesten aan de muzikanten een instrument verstrekten (zij kregen het instrument te leen) en om nu te voorkomen dat dit instrument ook gebruikt zou worden buiten het orkestverband, b.v. door het in een dansband of nog erger een jazzorkest te bespelen (en er misschien wel geld mee te verdienen), waren tot zo’n veertig (nu dus zestig) jaar geleden deze instrumenten gestemd in de grondtonen B en E. Dus een halve toon hoger dan bij een ‘normaal’ instrument dat in de grondtonen Bes of Es is gestemd. Toen al deze orkesten over gingen op ‘gewone’ stemming werd de markt overspoeld met deze zgn. “hoge stemming instrumenten” wat in feite een foutieve aanduiding is voor deze in B en E gestemde instrumenten. Want eigenlijk is dit bedoeld voor wat de Amerikanen ‘High-’ en ‘Low-pitch’ noemen waarbij instrumenten die niet de toon A op 440 Hertz -Low pitch- (lage stemming) hebben maar zijn gebouwd op een A van 448 Hertz -High pitch- hoge stemming), wat wordt aangegeven door de letters H en L in het instrument te stansen.

    Met al die instrumenten op de markt hebben heel wat aankomende (jazz)musici zo goedkoop een toeter kunnen aanschaffen waar nog redelijk ‘zuiver’ op kon worden gespeeld door de stembuizen uit te trekken en daarmee het instrument een halve toon lager te laten klinken (helemaal zuiver werd het op die manier niet omdat de verhouding tussen diameter en lengte van de totale buis veranderde wat voor conische instrumenten minder erg was dan voor cilindrische zoals een trompet N.B. voor klarinetten en saxofoons was dit alles niet mogelijk omdat de afstand tussen de gaten niet kan worden veranderd wat nodig zou zijn als je het instrument een halve toon lager stemt door het mondstuk en de hals meer ruimte te geven. Deze instrumenten werden derhalve als “decoratie-artikel” verkocht!).
    Mijn eerste ventieltrombone was zo’n instrument dat ik in 1960 voor fl. 5,= van de Badhoevedorpse fanfare heb gekocht waarbij de met plakband vastgezette uitgeschoven hoofdstemschuif het nog net haalde, van B naar Bes!
    Gelukkig zijn deze een halve toon te hoge instrumenten inmiddels allemaal aan de muur komen te hangen of tot plantenbak gedegradeerd.
    Als men echter instrumenten uit de USA krijgt let dan goed op dat boven het serienummer een L is geponst want met een H (High-pitch) instrument is samenspelen erg moeilijk.

    In de Fanfare- en Harmoniewereld worden alle bovengenoemde instrumenten beschouwd als “transponerende instrumenten”. Dit betekent dat de muziek die voor het instrument is geschreven geen ‘klinkende’ noten voorstelt maar dat de geschreven toonsoort gebaseerd is op de grondtoon van het instrument en dat met de noten op de balk ventielstanden bij de natuurtonen worden weergegeven:

    In wezen wordt daar (bij Fanfare en Harmonie) dus geen muziek lezen aangeleerd maar krijgt de nieuwkomer les in het lezen van ventielstanden via een notenbalk met G-sleutel. Hierdoor maakt het niet uit welk instrument de nieuweling daarna krijgt, want (omdat alles is getransponeerd) ‘leest’ elke partij uniform en behoeft hij alleen maar de toonvorming voor dat specifieke instrument verder te oefenen.
    De werkelijke toon en de toonhoogte hangen af van het bespeelde instrument. Wie bovenstaande goed bekijkt ziet dat de natuurtonen boven de grondtoon ook met behulp van ventielstanden bij een volgende natuurtoon kunnen worden gespeeld.
    Zo is G = ventielstand 1 + 3 bij natuurtoon C1 en is C1= ventielstand 2 + 3 op natuurtoon E1. Dit heten ‘hulpgrepen’ en deze geven ook de mogelijkheid om de ventielstembuizen door uittrekken op de juiste wijze af te stemmen wanneer de hoofdbuis wordt uitgetrokken om het hele instrument iets lager te stemmen naar de juiste toonhoogte.
    In het algemeen is de hoofdbuis altijd iets korter om het instrument ook zuiver te kunnen krijgen als b.v. een piano (waarmee moet worden samengespeeld) iets te hoog is gestemd of te hoog klinkt door weersinvloeden, waardoor de hoofdbuis altijd iets moet zijn uitgeschoven.
    De grondtoon C is niet de absoluut laagste toon van het instrument. Eén octaaf lager bevindt zich nog de zogenaamde “Pedaaltoon” welke toon de absolute grondtoon van het instrument is. Alleen bij lagere instrumenten, ongeveer vanaf de tenor, kunnen deze “Pedaaltonen” door de bespeler ook redelijk eenvoudig worden aangeblazen door het toepassen van een ‘losse embouchure”. Een probleem is dan wel dat tussen deze pedaaltoon en de grondtoon niet meer chromatisch kan worden gespeeld omdat het aantal van drie ventielen niet voldoende is om de lagere tussenliggende noten te produceren. Om deze reden wordt aan het instrument vaak een 4e ventiel, het “kwartventiel”, toegevoegd dat de hoofdbuis met een ‘kwart’ kan verlagen.
    Deze toevoeging geeft dan meteen de oplossing om het, door Eddie Hamm genoemde, probleem met de lage D op te lossen.
    Het betreft het door hem genoemde niet zuiver worden van het instrument bij aanblazen van de Des, de D en de Dis. Heeft de bespeler een goede techniek en embouchure dan kan hij door een ‘lossere’ mondstand de toon (die te hoog wordt) verlagen. Bij de hogere instrumenten van de familie, zoals bij een Bugel is er vaak de mogelijkheid om de 3e stembuis met behulp van een ring die door de pink wordt bediend uit te schuiven om de ‘verhoging van de toon’ op te heffen.
    Deze problemen ontstaan voor een groot deel omdat bij de bouw van het instrument al een compromis moet worden gevonden tussen conisch en cilindrisch. Stembuizen moeten wel cilindrisch worden gebouwd waardoor een deel van het instrument ineens van conisch overgaat naar cilindrisch hetgeen de zuivere verhoudingen en daardoor de toonvorming van het instrument aantast.

    Ook met de notatie blijven er altijd problemen want wat ik hierboven heb verwoord is gebruikelijk (bij Fanfare en Harmonie) maar er wordt ook regelmatig van afgeweken.
    Heel vaak wordt voor de lagere leden van de familie (“bariton”; Es- en Bes-bastuba) en ook voor de trombone wel getransponeerd naar de F-sleutel:
    Grondtoon:
    Als muzikanten in zo’n gezelschap ‘gewoon’ les hebben gehad en ook ‘klassiek’ spelen wordt de daar gehanteerde vorm gebruikt, n.l. het noteren van de werkelijk klinkende toon.
    Dat zou voor de Bes-Bastuba betekenen:
    Grondtoon:
    Tot nog niet zo lang geleden was het geen probleem, als er muziek werd besteld voor een orkest, om een partij voor b.v. een trombone zowel getransponeerd neer G- en naar F-sleutel te krijgen evenals de klinkend genoteerde partij.

    Maar hoe ook opgeschreven uiteindelijk gaat het om wat er aan muziek uit komt!
    En bij spelers als Koos Mak en Eddie Hamm is dat nog steeds prachtige muziek die, gelukkig voor ons luisteraars, is vastgelegd op de zwarte schijven van weleer.
    ================================================================== AFLEVERING 46 nogmaals de TUBA

    Onze redacteur kwam bij het redigeren van mijn voorgaande artikel duidelijk in een ‘euforische ‘stemming want geheel tegen beter weten in hield hij constant vol dat het EUPHONIUM een EUPHORIUM is geweest. Helaas …!
    Verder kwamen er reacties binnen van mijn lezers Rob Bakker en Ton Rakers.
    Rob zijn eerste vraag was: “Wat heeft een tuba te maken met het slagwerk?”. Deze vraag geeft mij eindelijk de mogelijkheid om de titel van deze rubriek te verklaren. De titel is zowel letterlijk (het gaat dan over drummen en de daarvoor benodigde attributen in de breedste zin des woords) en overdrachtelijk (het gaat dan over oude-stijl-jazz zaken die mij zijn overkomen) bedoeld.
    Verder vraagt Rob zich af waarom ik bij de notatie van de grond – en natuurtonen de Bes heb doorgestreept terwijl hij terecht stelt dat dit wel degelijk een natuurtoon is.
    Hierin heeft hij volkomen gelijk maar deze toon is doorgestreept omdat je deze noot niet, als natuurtoon, moet spelen omdat hij niet zuiver is te intoneren. Verder zijn er, zoals terecht opgemerkt, nog meer hogere natuurtonen zoals de D, E, Fis en ga zo maar door! Maar als (amateur)blazer ben je al blij als je die hoge C haalt!
    Rob eindigt met: “Toch een leerzaam overzicht.”, waarvoor dank.

    Ton Rakers reikte mij informatie aan over de wijze waarop door instrumentbouwers is gereageerd op de door Eddie Hamm genoemde problemen met het gebruik van het 1e en 3e ventiel voor de lage D en de 3 ventielen voor de lage Des.

    Op deze fig.11 is te zien hoe de Firma Hawkes hiervoor oplossingen heeft gezocht. We zien twee tenorinstrumenten, een tuba en een saxhoorn die hier (oh verwarring; oh verwarring) resp. “euphonium” en “bariton” worden genoemd. Het linkse instrument met een kwartventiel met extra buis om de onzuiverheden in de laagte te compenseren. Bij indrukken van het 4e ventiel (met de andere hand) wordt de totale buislengte met een kwart verlengd. Bij het rechtse instrument is een aanvullend mechaniek aanwezig dat als 1e en 3e ventiel gelijktijdig worden ingedrukt (voor de D of Des dus) er extra buislengte wordt geopend om de totale lengte iets te vergroten, een bijzonder ingewikkelde oplossing!

    Met dank aan beiden voor hun reactie lijkt het mij het beste om maar gewoon naar die tuba’s te gaan luisteren en dan vooral in onze geliefde oude stijl!

    ==================================================================
    AFLEVERING -Ongenummerd EXTRA- De MELLOFOON

    Er is 1 x een “Slagwerkje” verschenen als reactie op een door Ate van Delden geschreven artikel. Omdat ik hierin dieper inga op een ander conisch koperblaasinstrument leek het mij wel geëigend om dit artikel opvolgend aan het verhaal over de Tuba te plaatsen.

    In ‘Doctor Jazz DJM202’ schrijft Ate van Delden over George Brunies: “Zijn eerste instrument was een mellofoon 1), ……. “ (blz.6) met als voetnoot (blz.10): “ 1) Inmiddels is duidelijk geworden dat een ‘alto horn’ één van de verschijningsvormen is van wat tegenwoordig meestal een mellofoon wordt genoemd. Dudley Fosdick was een befaamde solist op dit instrument. Op zijn opnames wordt hij vaak verward met Miff Mole.
    Nu ken ik Ate als een nauwkeurig en diepgravend onderzoeker waar het historie, labels, muzikanten enz. enz. betreft maar hier is zijn kennis van muziekinstrumenten niet toereikend waardoor hij deze keer de plank flink mis slaat.

    Naar ik aanneem is de opmerking over de jonge George’s eerste instrument gebaseerd op een foto waarop hij met één van zijn broers staat. Het instrument dat de kleine George daar in zijn handen heeft is een Saxhoorn en wel de alt van de familie van de saxhoorns, gewoonlijk in het Engels aangeduid als “Saxhorn-Alto” (foto in “N.O. Jazz A Family Album” page 276).
    Instrumentenbouwer Adolphe Sax heeft niet alleen de familie van Saxofoons ontwikkeld maar ook een hele familie van Saxhoorns, van de sopranino tot de contrabas.
    In mijn aflevering over de Tuba refereerde ik al aan deze groep van instrumenten maar nu gaan we er wat dieper op in waarbij ik ook de relatie tot de Mellofoon meeneem, een instrument dat toen niet werd genoemd. Sax ontwikkelde zijn saxhoorns, gepatenteerd in 1845, halverwege de 19e eeuw. Al spoedig bleek dat voor blaasorkesten en militaire kapellen dit instrument veel beter voldeed dan de tot dan in gebruik zijnde Ophicleïden (conisch gebouwde koperblaasinstrumenten met kleppen om chromatisch te kunnen spelen). Vanuit Frankrijk verspreidden de saxhoorns zich razendsnel over de hele wereld. William J. Schafer vermeldt in “Brass Bands & New Orleans Jazz” page 4:
    “These instruments (de saxhoorns F.H.) were disseminated by New York musical entrepreneur Allen Dodworth, who formed a first-rate band and hawked the instruments throughout America. By the 1850’s the saxhorn family was the standard brass-band complement.”.
    Niet alle leden van deze instrumentfamilie voldeden even goed en rond 1900 hadden alleen de alt en de tenor zich gehandhaafd. Een standaard Brass-Band bestond nu meestal uit:
    1 Es-cornet; 2 of 3 Bes-cornetten (waarvan 1 solo); 2 of 3 Althoorns (waarvan 1 solo); 1 of 2 Tenorhoorns; 1 Bariton (meestal een Euphonium of een Es-bastuba); 1 Trombone (meestal een Ventieltrombone); 1 Bes-bastuba welk instrumentarium verder werd aangevuld met 1 Es-klarinet; 2 Bes-klarinetten; 1 Piccolo; Snaredrum en Bassdrum.
    Voor deze bezetting was rond 1900 veel geschreven muziek beschikbaar die zodanig was georchestreerd dat de omvang van de band eenvoudig kon worden gereduceerd. In New Orleans ontstond zo een soort ‘standaardbezetting’ geportretteerd (wel in spiegelbeeld) in “Brass Bands & New Orleans Jazz” page 20:
    1 Es-klarinet; 2 Bes-cornetten; 1 of 2 trombones; 1 Althoorn; 1 Tenorhoorn 1 Bes-bastuba;
    1 Snaredrum; 1 Bassdrum.
    N.B. Op deze foto van de ‘revived Onward Brass Band’ uit 1962 zijn Alt- en Tenorhoorn vervangen door resp. een Es-mellofoon en een Bes-euphonium. Na WWII (vanaf 1945) was het al gebruikelijk geworden om voor die plaatsen in de Band saxofoons (Alt en Tenor) te benutten. (Dit had te maken met: a)de veel grotere beschikbaarheid van saxofonisten en b)het simpele feit dat de geschreven partijen ook voor saxofoons geëigend zijn).

    Maar waar komt nu opeens die Mellofoon vandaan?
    Er zijn hiervoor twee verklaringen in de boeken over de historie van muziekinstrumenten te vinden:
    1) De Mellofoon is een versimpeling van de (franse) Hoorn.
    2) De Mellofoon is een verdere ontwikkeling van de ‘Ballad-horn’.
    Ad. 1 De (franse) Hoorn is een in F gestemd instrument. Het spelen op dit instrument vergt grote vaardigheid omdat het instrument wordt aangeblazen door een mondstuk met een zeer diepe kom én omdat de correctie van de toonhoogte (als het instrument open wordt bespeeld is het te laag!) geschiedt door een hand in de beker te steken.
    Door het aanpassen van de buislengte, het mondstuk en het bespelen van de ventielen met de rechterhand werd een instrument verkregen dat véél eenvoudiger te bespelen is en (zeker in de open lucht) de klankkleur van de Hoorn goed wist te benaderen. Doordat ook de stemming naar Es werd gebracht past het instrument goed in “Brass-Bands”.
    Ad. 2 De ‘Ballad-horn’ en zijn Franse tegenhanger de ‘Cor’ waren van begin af aan al instrumenten die open (niet met de hand in de beker) en met de rechterhand voor de ventielen werden bespeeld.

    In alle gevallen wordt de ontwikkeling van het instrument gestart bij de Jachthoorn (Corhorn) die met ventielen werd uitgebreid om chromatisch te kunnen spelen. Interessant is dat er ook andere oplossingen zijn bedacht zoals de “Omnitonic Horn’ van Sax uit 1833 waarbij, door het verschuiven van een buis met 2 gaten in een andere buis waarop diverse buizen van verschillende lengte waren aangesloten, een andere buislengte werd bereikt voor het instrument en daardoor een andere toon.
    Wel is het zo dat de ontwikkeling bij Ad. 1 een instrument oplevert met een buis met 1 ¾ wikkeling van mondstuk tot beker en bij Ad. 2 een 1 ½ wikkeling:
    Ad. 1 Ad. 2

    In beide gevallen wijst de beker naar achteren tijdens het spelen.
    In Amerika zijn er daarom instrumenten gebouwd in de vorm van de ‘Ballad-horn’ met de beker naar voren:

    Tenslotte nog iets over de bouw van het instrument.
    In principe zijn zowel de Saxhoorn als de Mellofoon conisch gebouwde instrumenten. Echter door het toevoegen van de ventielen met hun stembuizen en vaak ook door het gebruik van een lange hoofdstembuis is het instrument een ‘mixture’ geworden van conisch en cilindrisch. Opmerkelijk is dat de Mellofoon Ad.1 de smalste mensuur heeft met vervolgens de Saxhoorn en daarna de Mellofoon Ad.2!

    Ter afsluiting gaan we nog even terug naar de foto van de kleine George Brunies die vol trots zijn instrumentje vasthoudt en dat ziet er als volgt uit:

    En dat is dus echt een “Saxhorn-Alto”!

    P.S.
    In New Orleans was er ook een bekende Mellofoonbespeler. Drummer Monk Hazel speelt op een aantal van de platen die hij in de 20’er jaren heeft opgenomen naast de drums ook mellofoon. Waarvan akte!

    Helaas zijn de plaatjes weggevallen! F.H.

    In het begin staan nogal veel fouten in de beschrijving van de Cornet en Trompet!!! Erg amateuristisch….

Geef een antwoord

ADVERTENTIE